Gedrag wordt door meerdere elementen bepaald. Dit staat ondertussen vast als een paal boven water.
Ondanks dat heel wat mensen honden en het houden van honden nog veel te simplistisch zien. Komt er toch druppels gewijs, dankzij de wetenschap, nieuwe kennis vrij over onze 4voeter.
En beetje bij beetje kunnen mensen zoals ik, die zich met gedrag bezig houden deze kennis doorgeven aan andere mensen, zoals voornamelijk hondeneigenaars. Dit in het voordeel van de hond. Zodat deze kan behandeld, aanvaard en begrepen worden zoals ze zijn. En we deze prachtige 4-voeters leren bekijken vanuit een hele andere insteek, namelijk het hond zijn.
Het is een hele evolutie en er zullen in de loop der jaren dankzij de wetenschap nog heel wat nieuwe zaken ontdekt worden.
En wil ik (voor ik het artikel plaats) via deze gelegenheid er toch nog weer eens de nadruk opleggen, dat wanneer mensen een gedragsprobleem met/bij hun hond ondervinden en hiervoor hulp gaan zoeken. Zij er zich toch echt wel van verzekeren, dat de "deskundige" die ze hiervoor aanspreken, mensen zijn die een grondige anatomische, en wetenschappelijke kennis hebben. Zodat we op deze manier kunnen vermijden dat de hond meer schade oploopt ipv hulp verkrijgt.
Waarom is een hond vechtlustig en agressief naar andere honden?
De balans tussen twee hormonen kan verklaren waarom sommige honden agressief zijn.
Je loopt rustig met je hond aan de riem, als iemand anders je tegemoet komt die ook met een hond aan een riem loopt. Plots begint die andere hond te blaffen, grommen en uit te vallen naar jouw hond, die zich op geen enkele manier dreigend heeft gedragen of agressieve signalen heeft laten zien. De hond die je bent tegengekomen vertoont wat gedragsdeskundigen vaak 'lijnagressie' noemden. Onlangs zijn onderzoekers gaan inzoomen op de redenen waarom sommige honden uitvallen wanneer ze aangelijnd zijn en waarom anderen dat niet doen.
Een onderzoeksteam onder leiding van Evan MacLean, hoogleraar antropologie en directeur van het Arizona Canine Cognition Center aan de Universiteit van Arizona, ging op zoek naar enkele mogelijke factoren die verband houden met de fysiologie van honden. Eerdere onderzoekers hadden zich geconcentreerd op de mogelijke effecten van testosteron. Van hoge concentraties van dit mannelijke hormoon is aangetoond dat ze verband houden met agressie bij mensen en bij sommige andere diersoorten. Dat is de reden waarom het castreren van reuen vaak door dierenartsen is aanbevolen als middel om agressieve neigingen te verminderen.
Helaas stapelen de gegevens zich op die erop wijzen dat castratie agressieve neigingen niet alleen niet vermindert, maar zelfs geassocieerd kan worden met verhoogde niveaus van agressie. Bovendien, aangezien testosteron een mannelijk hormoon is, is het onwaarschijnlijk dat dit agressie bij vrouwelijke honden verklaart.
Er is meer succes geboekt met studies naar een ander hormoon, namelijk serotonine. Wat onderzoekers specifiek hebben ontdekt, is dat sommige honden met een agressieverleden ook lage niveaus van serotonine in hun bloed of in hun hersenvocht hebben. Omdat hogere niveaus van serotonine de agressieve neigingen bij honden lijken te verminderen, worden agressieve honden vaak behandeld met geneesmiddelen die het serotonineniveau verhogen. In het bijzonder zijn geneesmiddelen gebruikt zoals Prozac, die technisch 'selectieve serotonine-heropnameremmers' (SSRI's) worden genoemd.
Wat de aandacht van dit onderzoeksteam trok, was de groeiende hoeveelheid onderzoek naar het hormoon oxytocine bij honden. Oxytocine wordt soms het 'knuffelhormoon' genoemd, omdat is aangetoond dat het bij mensen toeneemt wanneer we een geliefde knuffelen of kussen, of seks hebben, of wanneer moeders hun baby's verzorgen. Vastgesteld is dat de oxytocineniveaus van honden ook stijgen wanneer ze betrokken zijn bij vriendelijke sociale interacties met mensen.
Interessant is dat oxytocine een kwaadaardige tweelingzus heeft, vasopressine. Onderzoekers noemen ze soms "yin en yang-hormonen". Onderzoek heeft aangetoond dat mensen die chronische agressieproblemen hebben nogal eens hoge niveaus van vasopressine hebben. De onderzoekers uit Arizona vroegen zich af of ditzelfde bij honden het geval zou kunnen zijn.
In hun eerste experiment keken de onderzoekers naar het gedrag en de hormonale niveaus van twee groepen honden. Eén groep bestond uit honden met een bekende geschiedenis van agressie, vooral naar onbekende dingen en naar andere honden, terwijl de tweede groep niet een dergelijke agressiegeschiedenis had. De honden werden zorgvuldig gekozen, zodat er voor elke agressieve hond een niet-agressieve hond van hetzelfde geslacht, leeftijd en ras was die als vergelijking kon dienen.
De test voor hondgerichte agressie hield in dat elke hond aan de lijn werd gehouden door de eigenaar. Aan de andere kant van de kamer was een gedeelte met gordijnen. Vanachter dat gordijn speelden onderzoekers het geluid van een hond die blafte en toen trokken ze het gordijn weg om een levensecht hondenmodel met een menselijke geleider te onthullen. De modellen leken op een Jack Russell Terrier, een Shetland Sheepdog of een Old English Sheepdog.
Om de reactie van deze honden te testen in situaties waarbij geen andere hond betrokken was, werden de honden in een kamer geleid waar ze contact konden maken met algemene controle-items zoals een vuilniszak, een doos of een yogabal, terwijl willekeurige geluidseffecten werden gespeeld. De honden werden ook blootgesteld aan video's van andere honden die zich bezighielden met diverse activiteiten.
De onderzoekers maten de gedragsreacties van de honden en ook hun hormoonniveaus voor en na elke interactie. Geen van de honden reageerde agressief op de levenloze objecten of de video's. Veel van de honden in de lijnagressieve groep hadden echter vijandige reacties op de modelhond. Deze reacties omvatten blaffen, rukken aan de lijn alsof ze probeerden de modelhond aan te vallen, dreigend grommende geluiden enzovoort.
Toen ze naar de hormonale niveaus keken, ontdekten ze dat de honden die agressief reageerden per saldo hogere niveaus van vasopressine in hun systemen vertoonden. Dit leek het verwachte verband tussen vasopressine en agressie bij honden aan te tonen. Toen ze echter naar de oxytocine-niveaus keken, vonden ze geen significante verschillen.
Hoewel de associatie tussen vasopressine en agressie bleek te worden bevestigd, leek de afwezigheid van verschillen in de oxytocineniveaus een beetje verwarrend. Het onderzoeksteam voerde dus een tweede reeks metingen uit, waarbij de oxytocine-niveaus van de honden in de studie werden vergeleken met die van een groep hulphonden. Ze gebruikten hulphonden omdat deze specifiek zijn gefokt en gedragsmatig zijn gescreend op vriendelijke, sociale honden met niet-agressieve temperamenten. Nu vonden de onderzoekers de verwachte verschillen in oxytocineniveaus, waarbij de hulphonden een grotere totale hoeveelheid oxytocine vertoonden dan de huishonden.
Hoofdonderzoeker MacLean meent dat deze resultaten zeer nuttig kunnen zijn in de omgang met agressieve honden, aangezien vasopressine en oxytocine antagonistische hormonen zijn die elkaar in hun effecten neutraliseren. De huidige therapieën voor agressieproblemen bij honden waren meestal gericht op testosteron of serotonine. MacLean suggereert echter: "Het lijkt redelijk om te denken dat als vasopressine agressie mogelijk maakt, je geneesmiddelen kunt ontwikkelen die het vasopressinesysteem helpen in gevallen waarin honden echt agressief zijn. Oxytocine en vasopressine worden momenteel op grote schaal gebruikt als therapeutica bij de mens. Regulering van het oxytocinesysteem is betrokken bij zaken variërend van autisme tot schizofrenie tot posttraumatische stressstoornis (PTSS), en er zijn klinische onderzoeken die kijken naar het toedienen van oxytocine als medicijn om daarmee een soort van gedragsreactie te creëren Het is interessant om te denken dat wellicht sommige van dezelfde therapieën die we met mensen proberen, nuttig kunnen zijn bij honden."
Stanley Coren PhD., DSc, FRSC, 3 oktober 2017.
Referenties
MacLean EL, Gesquiere LR, Gruen ME, Sherman BL, Martin WL en Carter CS (2017). Endogenous Oxytocin, Vasopressin, and Aggression in Domestic Dogs. Frontiers in Psychology, 8, Article 1613. doi: 10.3389 / fpsyg.2017.01613
https://www.ncbi.nlm.nih.gov/pmc/articles/PMC5624304/

Reageren



