Artikel 1 – begripsbepalingen en definities
A. Commissie Toetsing
De commissie die is ingesteld om de controle uit te oefenen omtrent de toepassing van dit reglement.
B. Commissie Informatievoorziening, fokkerij, gezondheid en gedrag
Hierna te noemen: informatiecommissie. Deze is ingesteld om zorg te dragen voor het bijhouden, verzamelen en verstrekken van informatie over de honden.
C. Effectieve dekking
Een dekking is geldig op het moment dat er een nest geboren is. Jaar van geboorte telt.
D. ENM
Erfelijke Necrotiserende Myelopathie ook bekend onder ENM, kooikerverlamming en leukodystrofie. Er is sprake van ENM indien de dieren volgens de dierenarts het klinische beeld vertonen zoals beschreven in het artikel Erfelijke Necrotiserende Myelopathie bij Kooikerhondjes (door P.J.J. Mandigers) en het door middel van sectie is aangetoond, verricht in een door de Nederlandse Staat erkend instituut.
E. Epilepsie
Epilepsie is een ziekte waarbij de hond bij herhaling epileptiforme aanvallen of zogenaamde toevallen vertoont. Toevallen kunnen omschreven worden als terugkerend abnormaal gedrag met afhankelijk van de soort epilepsie een aantal karakteristieke kenmerken.
Epileptiforme aanvallen kunnen onderverdeeld worden in verschillende soorten:
1.Klassieke gegeneraliseerde toeval.
Dit is de toeval zoals de meeste mensen zich epilepsie voorstellen. Een grote aanval waarbij in het voorstadium van de aanval de hond meestal onrustig en angstig is. Dit stadium kan duren van een paar minuten tot een paar dagen. Tijdens de echte aanval: bewustzijnsverlies, krampperiode, speekselen, ademhalingsproblemen, urine- en ontlastingverlies. Deze fase duurt meestal maar enkele minuten. Tijdens de laatste fase, de herstelfase: ontspanning van de spieren, weer bij bewustzijn komen. De hond kan extreem rusteloos of juist vermoeid zijn. Deze fase kan enkele uren tot dagen duren.
2.Partiële epileptiforme toevallen.
Tijdens deze toevallen vertoont de hond maar 1 of 2 kenmerken van een gegeneraliseerde aanval.
Bijvoorbeeld: de hond zakt maar heel even weg, krampt alleen met voorpoten, de hond hoeft niet het bewustzijn te verliezen.
3.A-typische epileptiforme toevallen.
Dit is een restgroep waarbij de aanval niet in de ene of in de andere groep in te delen is.
Bijvoorbeeld: vlieghappen, achter staart aan rennen, met oren trillen. Deze toevallen zijn vaak heel subtiel en moeilijk op te merken, deze vorm van epilepsie wordt vaak niet herkend als toeval. Voortekenen van een toeval zijn vrijwel niet aanwezig.
In de veterinaire wereld wordt pas over ‘epilepsie’ gesproken als de epileptiforme aanvallen, in welke soort dan ook, bij herhaling (twee keer of meer) voorkomen.
Epilepsie is te onderscheiden in twee vormen:
Primaire epilepsie: er is geen oorzaak voor de epilepsie te vinden. Alle soorten toevallen kunnen voorkomen.
Secundaire epilepsie: bij deze vorm van epilepsie is de oorzaak van de aanvallen een aantoonbaar andere afwijking of oorzaak.
De vorm primair of secundair moet worden vastgesteld door onafhankelijk diergeneeskundig onderzoek. Bewijslast ligt bij de eigenaar van het aan epilepsie lijdende dier.
F. Gedrag
Het karakter van het Kooikerhondje wordt als volgt beschreven:
Het Nederlandse Kooikerhondje heeft een aantrekkelijk, vriendelijk uiterlijk. Toch zit er veel temperament in dit ras. Voor het oorspronkelijke werk in de eendenkooi is een rustig, zelfverzekerd gedrag een eerste vereiste.
Buiten het vangseizoen had het hondje de taak het schadelijk wild te verdelgen. Daartoe moest het een zekere felheid, snelheid en hardheid bezitten. De samenwerking met de kooibaas was voor al het werk in de eendenkooi een vereiste. Vandaar de attente houding en de "will to please". Het werk vereiste bovendien doorzettings- en uithoudingsvermogen.
Het moderne kooikerhondje zou al deze benodigde eigenschappen nog moeten bezitten. Door angst geïnduceerde agressie of over-dominant gedrag t.o.v. mensen en honden is zeker ongewenst. Het hondje moet vrij en met voldoende zelfvertrouwen door de ring gaan en zich vriendelijk, onverschillig door de keurmeester laten betasten.
G. Gedragsverklaring
Verklaring afgegeven door de informatiecommissie op basis van de geldige keurverslagen van de hond.
Een gedragsverklaring wordt gegeven als:
a.er maar twee geldige keuringen zijn geweest en er in geen van beide een negatieve opmerking over het gedrag is gemaakt;
b.er meer dan twee, maar niet meer dan vijf, keuringen zijn geweest en er in maximaal één daarvan een negatieve opmerking over het gedrag is gemaakt;
c.er meer dan vijf keuringen zijn geweest en er in maximaal twee daarvan een negatieve opmerking over het gedrag is gemaakt;
d.er meer dan vijf keuringen zijn geweest en er in meer dan twee daarvan een negatieve opmerking over het gedrag is gemaakt en de eigenaar door middel van twee rapportages, die zijn opgesteld door twee verschillende gedragsbegeleiders van de Vereniging Alpha (welke is aangesloten bij de Raad van Beheer), aantoont dat de hond toch een voldoende stabiel karakter heeft.
e.negatieve opmerkingen blijken uit formuleringen in de trant van: “niet laten betasten”, “angstig gedrag”, “uitvallen”, “bijten”, “diskwalificatie vanwege gedrag”.
H. Gedrag, afwijkend
Er is sprake van afwijkend gedrag indien het dier niet normale angsten en/of agressie vertoont.
I. Geldige keuringen
Beoordeling van een door de Raad van Beheer voor het Kooikerhondje benoemde keurmeester tijdens een door de Vereniging georganiseerde keuring, dan wel tijdens een (inter)nationale tentoonstelling.
De leeftijd van de hond moet ten tijde van de eerste keuring minimaal negen maanden en ten tijde van de tweede keuring minimaal twaalf maanden bedragen.
J. Knikstaart
Door een aangeboren vergroeiing van één of enkele staartwervels vertoont de staart een knik.
K. Oogafwijkingen, erfelijke
Er is sprake van een erfelijke oogafwijking als er volgens het ECVO (European College of Veterinary Ophthalmologists) onderzoek een oogafwijking wordt aangetoond door een erkende veterinaire oogspecialist.
L. Oogonderzoek
Een onderzoek gericht op erfelijke oogafwijkingen door een door de ECVO erkend veterinair oogspecialist. Het onderzoek mag worden ondergaan vanaf een leeftijd van 12 maanden oud en het blijft maximaal 24 maanden geldig. Na deze 24 maanden zal een tweede onderzoek moeten plaats vinden. Wanneer blijkt dat de hond bij zowel het eerste onderzoek als bij het tweede onderzoek vrij is, zijn vervolgonderzoeken niet vereist.
M. Patellaluxatie Panel-onderzoek
Na twee patella-luxatie onderzoeken vlgs Protocol Meutstege met verschillende uitslagen, bestaat de mogelijkheid voor een panelonderzoek. Dit onderzoek wordt verricht door 3 (daarvoor erkende) dierenartsen, allen specialist Orthopedie van Gezelschapsdieren uit de Hoofdafdeling Gezelschapsdieren van de Universiteit van Utrecht.
Ingeval de eerdere onderzoeken verricht werden door dierenartsen uit die Hoofdafdeling, dan worden hiervoor vervangende dierenartsen aangewezen.
Aanvraag voor een panelonderzoek richten aan Prof. drs. F.J. Meutstege.
N. Patellaluxatie
Onder patellaluxatie wordt verstaan het abnormaal verplaatsbaar zijn van de knieschijf hetzij naar binnen hetzij naar buiten toe. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een hiervoor erkend veterinair orthopedisch specialist.
O. Patellaonderzoek / knieonderzoek
Een onderzoek naar patellaluxatie uitgevoerd door een voor het patella-onderzoek erkende Specialist Chirurgie van Gezelschapsdieren (protocol Meutstege). Dit onderzoek mag pas plaatsvinden als het dier tenminste 12 maanden oud is. Voor de waardering van de knieën wordt aangesloten bij de kwalificaties/gradering zoals deze specialisten dat onderling hebben afgesproken.
P. Raad van Beheer
Raad van Beheer op Kynologisch Gebied in Nederland; het overkoepelend orgaan van de Nederlandse Kynologie, opgericht 1 januari 1902 en lid van de F.C.I., hierna te noemen Raad van Beheer.
Q. Schofthoogte
Gemeten: lengte van de loodlijn van de schoft tot op de grond.
R. VWD
Er is sprake van de ziekte van von Willebrand, ook wel genoemd von Willebrand's disease (VWD), indien bij de hond de von Willebrand factor(vWf) ontbreekt.
Dit blijkt als via een bloedonderzoek met behulp van DNA-onderzoek de hond "lijder" is bevonden. Dit onderzoek dient plaats te vinden volgens de methodiek zoals deze gebruikt wordt op het haematologisch danwel biochemisch laboratorium van de Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren te Utrecht (Nederland).
Via het DNA-onderzoek is ook vast te stellen of een kooikerhondje "drager" is van VWD of "vrij" is van deze ziekte.
Artikel 2 - Inleiding
2.1 Het fokreglement is een reglement, zoals bedoeld in artikel 17 van de Statuten van de vereniging "Het Nederlandse Kooikerhondje".
2.2 Het reglement beoogt verwezenlijking van de in artikel 2.1 van de statuten opgenomen doelstelling van de vereniging.
2.3 Daartoe zijn normen vastgesteld voor de fokkerij die zijn verwoord in de volgende artikelen.
2.4 Er is een Informatiecommissie. Deze heeft de volgende doelstellingen:
Het bevorderen dat de kwaliteit, gezondheid, het karakter en het exterieur van de kooikerhondjes wordt verbeterd. Zij doet dit door het verzamelen van informatie en het geven van informatie aan fokkers en eigenaren van honden.
2.5 Er is een commissie Toetsing. Deze heeft de volgende doelstelling:
Het toetsen of leden die kooikerhondjes fokken hierbij handelen of hebben gehandeld overeenkomstig de bepalingen van het fokreglement van de vereniging. Deze doelstelling is ook van kracht indien een van de eigenaren van een combinatie waarmee gefokt is/gaat worden, geen lid is van de Vereniging.
Artikel 3 - Normen voor de fokkerij
Aan de normen voor de fokkerij is voldaan indien:
3.1. Algemene normen
a.de leeftijd van de reu ten tijde van de dekking tenminste 15 maanden bedraagt;
b.de leeftijd van de teef ten tijde van de dekking tenminste 18 maanden bedraagt;
c.de leeftijd van de teef ten tijde van de dekking minder dan 96 maanden bedraagt indien zij reeds eerder heeft geworpen en minder dan 72 maanden indien dit niet het geval is;
d.de teef niet eerder zal worden gedekt dan 10 maanden na de vorige worp;
e.de teef zal gedurende haar leven niet meer dan 5 nesten voortbrengen;
f.de reu jaarlijks niet meer dan 3 effectieve dekkingen geeft en in totaal niet meer dan 15 nesten.
g.de combinatie van reu en teef eerder samen nog niet meer dan 12 nakomelingen heeft voortgebracht;
h.de reu en de teef niet met elkaar in relatie staan als ouder/kind of (half)broer/(half)zuster;
i.de teef zowel als de reu voor de dekking zijn onderzocht naar VWD en "vrij" zijn bevonden;
j.de teef zowel als de reu ten tijde van de dekking een geldig oogonderzoek hebben ondergaan waarbij geen erfelijke oogafwijking is geconstateerd;
k.de teef zowel als de reu voor de dekking een knieonderzoek hebben ondergaan;
l.de teef zowel als de reu ten tijde van de dekking voldoen aan de exterieurnormen;
m.de teef zowel als de reu ten tijde van de dekking in het bezit zijn van een gedragsverklaring;
n.de teef zowel als de reu ten tijde van de dekking goed gezond zijn.
3.2. Exterieur normen
a.Zowel de reu als de teef moeten voor de dekking minimaal twee maal de kwalificatie Zeer Goed hebben behaald op een geldige keuring door verschillende, door de Raad van Beheer voor het kooikerhondje benoemde keurmeesters. De leeftijd van de hond moet ten tijde van de eerste geldige keuring minimaal negen maanden bedragen en ten tijde van de tweede geldige keuring minimaal twaalf maanden.
b.De fokker tracht te fokken naar de ideale maat van het ras, te weten 40 cm schofthoogte voor een reu en 38 cm schofthoogte voor een teef. Daarom is het gewenst te fokken met reuen met een schofthoogte tussen 37 cm en 42 cm en met teven met een schofthoogte tussen 35 cm en 40 cm.
c.Het bepaalde in lid a. is van toepassing op dieren, geboren na 31 december 2002. Dieren, geboren voor die datum, moeten minimaal twee keuringen hebben ondergaan door verschillende, door de Raad van Beheer benoemde keurmeesters, waarvan maximaal één regionale keuring
3.3. Normen inzake het gedrag.
a.Dieren die afwijkend gedrag vertonen, zoals omschreven in de begripsbepaling, worden uitgesloten van de fokkerij.
b.Dieren die worden ingezet voor de fokkerij moeten in het bezit zijn van een gedragsverklaring
3.4. Normen inzake Erfelijke Necrotiserende Myelopathie (ENM)
a.Dieren die lijden aan ENM en hun directe nakomelingen worden uitgesloten van de fokkerij.
b.Ouderdieren, die directe nakomelingen hebben voortgebracht, die blijken te lijden aan ENM worden uitgesloten van de fokkerij.
c.Directe nakomelingen van ouderdieren, als bedoeld in het voorgaande lid, worden eveneens uitgesloten van de fokkerij.
d.Het is aan te bevelen volle broers en volle zussen van een der ouderdieren zoals bedoeld onder b. niet in te zetten voor de fokkerij.
3.5. Normen inzake epilepsie
a.Lijders aan epilepsie en hun directe nakomelingen worden uitgesloten van de fokkerij.
b.Ouderdieren, die twee of meer directe nakomelingen hebben voortgebracht, waarbij epileptiforme aanvallen zijn geconstateerd, worden uitgesloten van de fokkerij, tenzij het door diergeneeskundig onderzoek bewezen secundaire epilepsie is.
c.Directe nakomelingen van dezelfde combinatie van ouderdieren, als bedoeld in lid b, worden uitgesloten van de fokkerij.
d.Het is aan te bevelen directe nakomelingen van een der ouderdieren, volle broers en volle zussen van een der ouderdieren zoals bedoeld in lid b. niet in te zetten voor de fokkerij.
3.6. Normen inzake erfelijke oogafwijkingen
a.Lijders aan een erfelijke oogafwijking en hun directe nakomelingen worden uitgesloten van de fokkerij.
b.Ouderdieren, die twee of meer directe nakomelingen hebben voortgebracht die blijken te lijden aan een erfelijke oogafwijking worden uitgesloten van de fokkerij.
c.Directe nakomelingen van dezelfde combinatie van ouderdieren als bedoeld in lid b, dienen vrij te zijn van een erfelijke oogafwijking volgens het ECVO onderzoek alvorens zij voor de fokkerij in aanmerking komen.
d.Dieren met een uitslag “voorlopig niet vrij” mogen niet ingezet worden voor de fokkerij. Na 6 tot 12 maanden kan een heronderzoek plaatsvinden; bij een uitslag “niet vrij” is een hond definitief “niet vrij”. Als de hond bij heronderzoek “vrij” wordt gegeven en er dus 2 verschillende uitslagen bekend zijn, moet er alsnog een panel worden geraadpleegd, conform het protocol van de ECVO-oogartsen; de uitslag van het panel is de definitieve uitslag.
e.Ouderdieren van een hond met een uitslag “voorlopig niet vrij” worden - met inachtneming van het bepaalde in lid b van dit artikel (twee of meer directe nakomelingen) - uitgesloten van de fokkerij, totdat bij heronderzoek de hond “vrij” wordt gegeven en vervolgens een panel is geraadpleegd, zoals bedoeld in lid d. Als bij heronderzoek de hond “niet vrij” wordt gegeven, zijn de ouderdieren definitief uitgesloten van de fokkerij.
3.7. Normen inzake de ziekte van von Willebrand (VWD).
a.Dieren die lijden aan de ziekte VWD en hun directe nakomelingen worden uitgesloten van de fokkerij.
b.Ouderdieren, die directe nakomelingen hebben voortgebracht, die blijken te lijden aan VWD worden uitgesloten van de fokkerij.
c.Dieren die blijkens onderzoek “drager” van VWD zijn worden uitgesloten van de fokkerij.
3.8. Normen inzake patellaluxatie
a.Dieren die lijden aan klinische klachten van patellaluxatie, dan wel in het verleden hiervoor zijn geopereerd, worden uitgesloten van de fokkerij.
b.Dieren die blijkens een knieonderzoek patellaluxatie graad 2 hebben worden uitgesloten van de fokkerij.
c.De combinatie van ouderdieren, die directe nakomelingen heeft voortgebracht, die blijken te lijden aan patellaluxatie, mag niet worden herhaald.
d.Dieren die blijkens een knieonderzoek patellaluxatie graad 1 hebben mogen voor de fokkerij worden ingezet mits zij worden gecombineerd met een dier waarbij de uitslag van het knieonderzoek “vrij” (vast) is.
e.Desgewenst kan een heronderzoek plaatsvinden bij een andere daartoe erkende specialist (protocol Meutstege). Wanneer het onderzoekresultaat niet afwijkt van het eerste onderzoek is dit de juiste uitslag en deze wordt als zodanig geregistreerd. Bij een afwijkende tweede uitslag kan een panelonderzoek aangevraagd worden. De uitslag van dit panelonderzoek is bindend. Bij de publicatie wordt vermeld dat dit een uitslag is van een panelonderzoek. Hangende het panelonderzoek zal de slechtste uitslag van de vorige onderzoeken geldig zijn.
f.Het is aan te bevelen dieren met de uitslag “losse knieën” alleen te combineren met een dier met “vaste knieën”.
3.9. Normen inzake knikstaarten
a.Dieren die een knikstaart hebben zijn uitgesloten van de fokkerij.
b.De combinatie van ouderdieren, die directe nakomelingen heeft voortgebracht, die een knikstaart hebben, mag niet worden herhaald.
c.Een reu of teef die in 3 afzonderlijke nesten (verschillende combinaties) nakomelingen met knikstaarten heeft voortgebracht, wordt uitgesloten van de fokkerij.
3.10. Normen inzake inzet reuen buiten Nederland.
a.Naast het gestelde onder 3.1.e. mag een in Nederland geregistreerde reu maximaal 10 nesten verwekken buiten Nederland, waarvan maximaal 3 per land.
Artikel 4 - Wat voorts van een fokker wordt verlangd en mag worden verwacht
4.1. Van de fokker wordt verlangd dat:
a.de pups de bij hun leeftijd behorende inentingen en bijbehorende gezondheidsverklaring hebben ontvangen, volgens gangbare veterinaire inzichten;
b.de pups niet eerder aan de nieuwe eigenaar worden overgedragen dan nadat ze, namens de Raad van Beheer, van een chip zijn voorzien en minstens zeven weken oud zijn;
c.hij de nieuwe eigenaar informatie verschaft omtrent de afstamming van de pups en de eventuele erfelijke ziekten/afwijkingen die bij het gefokte nest een rol kunnen spelen. Hierbij behoort te worden aangegeven of hij gebruik gemaakt heeft van dieren zoals bedoeld in artikel 3.4.d, en 3.5.d.
d.hij de bij hem bekende afwijkingen met betrekking tot de gezondheid, het karakter en de rasstandaard van de pups aan de nieuwe eigenaar bekend maakt.
4.2. Daarnaast wordt van de fokker verwacht dat hij de gefokte honden tot het moment van overdracht aan de nieuwe eigenaar, goed verzorgt, waarbij onder meer behoort:
a.het socialiseren van de pups, waarbij gebruik wordt gemaakt van een verrijkt milieu, bij voorkeur het gezin;
b.het tijdig ontwormen van de pups;
c.dat aan de eigenaar adviezen worden meegegeven betreffende het socialiseren en opvoeden van de pup;
d.dat aan de eigenaar adviezen worden meegegeven betreffende de voeding van de pup;
e.dat de fokker in principe een gezonde pup aan de nieuwe eigenaar meegeeft;
4.3 Van fokkers en eigenaren van kooikerhondjes wordt verwacht dat zij met de informatiecommissie zullen samenwerken, respectievelijk van de door de informatiecommissie verzamelde kennis gebruik zullen maken en deze kennis, gevraagd en ongevraagd zullen aanvullen. Deze samenwerking dient wederzijds te zijn.
4.4 Het wordt de fokker dringend aanbevolen een schriftelijke koopovereenkomst te gebruiken.(b.v. het model van de koopovereenkomst van de vereniging “Het Nederlandse Kooikerhondje”)
Artikel 5 - Rechten en plichten van de fokkers ten opzichte van de vereniging in het kader van de fokkerij
5.1. Fokkers die lid zijn van de vereniging en voldoen aan de normen voor de fokkerij zoals verwoord in artikel 3 en 4 van dit reglement komen in aanmerking voor:
a.het verkrijgen van informatie over de gezondheid, het karakter en het exterieur van zijn fokproducten;
b.het verkrijgen van informatie over de gezondheid, het karakter en het exterieur van andere kooikerhondjes zoals opgenomen in het "clubregister";
c.informatie over eventuele voor hem geschikte fokcombinaties;
d.nestinventarisatie;
e.nestvermelding op de puppy-informatielijst.
5.2 Voor het gestelde onder 5.1.a tot en met 5.1.e. van dit artikel kan de fokker zich wenden tot het secretariaat van de Informatiecommissie.
5.3 Fokkers die lid zijn van de vereniging melden alle door hen gefokte nesten. Dit doen zij door het nest uiterlijk een week na de geboorte aan te melden bij het secretariaat van de commissie Toetsing. Het is evenwel al mogelijk het geplande nest na de dekking aan te melden.
5.4 Voor het gestelde in het voorgaande lid maakt de fokker gebruik van het door de vereniging beschikbaar gestelde formulier. Hierbij wordt opgemerkt dat de fokker de gevraagde gegevens, voor zover deze niet reeds in het bezit zijn van de vereniging, dient te overleggen. Controle op de gegevens vindt zo veel mogelijk vooraf plaats.
5.5 Een fokker die lid is van de vereniging draagt voor elk gefokt en namens de raad van beheer van een chip voorzien kooikerhondje, een door het bestuur vast te stellen bedrag af aan de vereniging.
5.6 Indien een fokker die lid is van de vereniging niet voldoet aan de vereiste normen gesteld in artikel 3 en 4 en het gestelde in het voorgaande lid van dit reglement dan komt hij niet langer in aanmerking voor het gestelde onder artikel 5.1.d. en 5.1e.van dit reglement.
Artikel 6 - Sancties
6.1 Indien een fokker en/of dekreu-eigenaar die lid is van de vereniging niet voldoet aan de vereiste normen gesteld in artikel 3 van dit reglement dan is deze in overtreding. Automatisch verspeelt de fokker hierbij het recht op het gestelde in artikel 5.1.d en 5.1.e van dit reglement.
6.2 Bij overtreding van één of meer normen, zoals bedoeld in artikel 3.1, 3.2, 3.10 en 4 van dit reglement, zal het bestuur van de vereniging in eerste instantie contact opnemen met betrokkene. Deze fokker en/of dekreu-eigenaar zal hierbij worden gevraagd zijn motieven naar voren te brengen. Bij herhaling van overtredingen zal het bestuur hiervan melding maken in het mededelingenblad van de vereniging. Indien een lid bij herhaling het gestelde in artikel 3.1, 3.2, 3.10 en 4 overtreedt dan heeft het bestuur van de vereniging het recht het lid het lidmaatschap van de vereniging op te zeggen conform artikel 5, lid 1.c van de statuten;
6.3 Indien gefokt wordt met dieren die zijn uitgesloten van de fokkerij op grond van het bepaalde onder de artikelen 3.4 tot en met 3.9 van dit reglement wordt hiervan in een officiële "bestuursmededeling" melding gedaan in het mededelingenblad en kan het lid uit het lidmaatschap van de vereniging worden gezet conform artikel 5 lid 1.d van de statuten. Alvorens een bestuursmededeling wordt gedaan wordt de fokker en/of dekreu-eigenaar in de gelegenheid gesteld uit te leggen waarom hij deze dieren heeft gebruikt.
Artikel 7 - Dispensatie
Indien strikte toepassing van de bepalingen van dit reglement een onredelijkheid met zich meebrengt, dan wel leidt tot onevenredig nadeel voor de betrokkene, kan het bestuur, onder schriftelijke motivering, dispensatie verlenen van het gestelde in artikel 3.1, 3.2, 3.3, 3.10 en 4 van dit reglement.
Artikel 8 - Wijziging van dit reglement
Tot wijziging van dit reglement kan alleen worden besloten in een algemene ledenvergadering met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
Artikel 9 - Slotbepaling
9.1 In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij enig verschil van mening omtrent de toepassing ervan, beslist, in spoedeisende gevallen, het bestuur, in andere gevallen de algemene ledenvergadering.
9.2 Tegen een uitspraak zoals bedoeld in artikel 9.1 van dit reglement kan door de beklaagde beroep aangetekend worden bij de geschillencommissie van de vereniging.