Wat zijn de Hiërarchieregels?
Er zijn zes hierarchieregels:
1. De mindere (de hond) meldt zich bij de meerdere (de baas) als de meerdere daarom vraagt.Veel honden krijgen de hele dag door aandacht en raken daar helemaal door verzadigd. Waardoor jij als baas niet meer zo leuk bent. Binnen nog wel, maar buiten zijn er zoveel andere leuke dingen en die baas is er straks ook nog wel.
Daarom is het belangrijk om deze regel toe te passen. Negeer de hond als hij uit zichzelf naar je toekomt. Roep hem bij je als hij ergens rustig ligt en geef hem dan alle aandacht. Verbreek zelf deze aandacht weer. Ga niet te lang door, zodat de hond uit zichzelf al wegloopt.
Let ook eens op het begroetingsritueel. Het begroetingsritueel staat vaak in verband met verlatingsangst. Als we thuiskomen begroeten we de hond vaak enthousiast. Terwijl je eigenlijk wil dat weg gaan en thuis komen heel normaal zijn en bij de dagelijkse dingen horen.
Het beste is bij thuiskomst de hond te negeren. Pas als je rustig je jas hebt uitgetrokken en de hond is rustig, roep hem dan bij je.
2. De meerdere begint en eindigt het spel.
Vaak heeft hond heel veel speeltjes die allemaal op de grond verspreid liggen. Doordat hij altijd toegang heeft tot deze speeltjes zijn ze voor hem niet meer zo interessant. Ruim daarom alle speeltjes op, eventueel kun je 1 speeltje laten liggen en die wekelijks ruilen voor een ander speeltje.
Een hond speelt niet ‘zomaar’. Ook voor hele jonge honden is spelen een manier om kracht te meten en status te bepalen. Tijdens het spelen vindt een dominatiebepaling plaats. Als je met de hond gaat spelen is dan ook van belang dat je het laatste spelletje wint en dat jij als baas het spel start en eindigt.
Een spel start je, door zelf een speeltje te pakken en de hond uit te dagen mee te spelen. Een spel eindig je door zelf het speeltje weg te leggen, blijft de hond in je broek hangen of springen naar het speeltje, dan moet je het spel duidelijk eidingen, bijvoorbeeld door de hond op zijn rug te leggen. Let bij het op de rug leggen altijd op de emotie van de hond te zien aan zijn staart en oren.
Leer de hond ook het verschil tussen ‘vast’ en ‘los’. Een hond weet nog niet wat los is, dat moet je hem nog leren. Door hem uit te dagen met een speeltje wil hij het speeltje vastpakken, zeg dan ‘vast’. Als hij het speeltje goed vasthoudt, pak dan een brokje en hou die onder de neus van de hond, zodra de hond loslaat, zeg je ‘los’. Zo leer je hem het verschil tussen los en vast.
3. De mindere maakt plaats voor zijn meerdere.
Bij (wilde) honden zie je dat een meerdere altijd een ‘vrij pad’ heeft. Alle andere honden gaan voor hem aan de kant en zullen hem niet in de weg liggen. Ook zullen ze nooit ‘per ongeluk’ tegen hem oplopen.
Als de hond voor ons gaat liggen, dan stappen we niet om hem heen. Schuifel met je voeten tegen de hond aan, zodat hij aan de kant gaat. Dit kun je door het hele huis doen, zodat de hond gaat leren dat de enige plek waar hij rustig kan slapen zijn bench is.
De bench is voor de hond altijd een rustplek. Hij mag daar dan ook nooit gestraft of lastiggevallen worden. In de bench heeft de hond altijd rust. Leer dit ook aan kinderen, dat als de hond in zijn bench ligt, hij met rust gelaten moet worden.
4. Degene die voorop loopt is de roedelleider.
De roedelleider bepaalt welke kant de roedel opgaat. Hij loopt dan ook voorop en leidt de weg.
Loopt de hond voor je uit, draai dan telkens de andere kant op. Ook tijdens de uitlaatronde loop je als leider voorop en draai je om als de hond voor jou uitloopt. Loop ook regelmatig eens de andere kant op, hoe onvoorspelbaarder de wandeling, hoe meer duidelijk is dat jij leidt.
Loopt de hond los, zorg er dan voor dat de hond jou in de gaten houdt. Dit doe je door je regelmatig te verstoppen. Loopt je hond vooruit, verstop je snel achter een boom. Door de schrik zal hij leren beter op te letten.
Belangrijk bij deze regel is ook de ‘deurtraining’. Een leider loopt ook als eerst door een nauwe doorgang. Train dit met de deuren in huis. Je doet de deur open, springt de hond op, dan doe je snel de deur weer dicht. Is de hond weer rustig dan probeer je weer de deur open te doen. Alleen als de hond netjes blijft zitten en jou eerst door de deur laat gaan, waarna jij de hond toestemming geeft om te komen, mag de deur open blijven. Om dit bij alle deuren te krijgen moet je oefenen met verschillende deuren. Na een aantal deuren zal de hond gaan generaliseren.
5. De meerdere eet eerder dan de mindere.
In een roedel eten de hogere in rang het eerst de beste delen van het karkas op.
Geef daarom de hond te eten nadat je zelf gegeten hebt. Dit geldt als het tijdstip van zelf eten en het eten van de hond vlak bij elkaar liggen. De hond geeft je dus niet te eten, vlak voor je zelf aan tafel gaat, of als je staat te koken.
Het is geen probleem om de hond bijvoorbeeld een half uur voordat je zelf gaat koken eten te geven.
6. De ranghoogste is altijd hoger gepositioneerd dan de ranglagere.
Dit betekend dat de hond bij voorkeur niet op de bank of op bed mag. Ook mag de hond niet op je klimmen. Zorg dat je altijd hoger gepositioneerd bent dan de hond.
Volwassenen moeten de hond ook kunnen ‘overmeesteren’. Door over hem heen te hangen en eventueel zacht te grommen gaat de hond zich overgeven. De hond gaat op zijn rug liggen, draait zijn kop weg en geeft daarbij zijn keel blood. Zijn staart klemt hij tussen zijn poten om zijn anaalklieren af te schermen. Ook blijft hij heel stil liggen. Dan heeft de hond zich overgegeven.
Wanneer pas je de regels toe?
Bij een pup begin je vanaf dat je hem in huis hebt met het toepassen van de hierarchieregels.
Een pup past de regels al in het nest toe. Kijk maar naar pups onderling. Ze ‘spelen’ maar zoals bij elk spel gaat het om wie er wint. Daar zijn pups ook al mee bezig! Gegrom bij de voederbak en om speeltjes komt ook al voor. De moeder corrigeert haar pups ook al als ze te veel opdringen of de regels negeren.
Als je bij een pup de regels goed toepast, heerst er duidelijkheid bij de pup. Hij weet waar hij aan toe is. Let er op wat je bij een volwassen hond niet zou tollereren, tollereer dat ook niet bij een pup!
Hou de regels aan tot na de tweede puberteit, die begint tussen de twaalf en veertien maanden. Als je tot anderhalf jaar heel duidelijk bent geweest naar de hond is dit een gewoonte geworden. Nu kun je af en toe afwijken van de regels als jij dat goed vindt en als het goed gaat. Merk je dat er problemen van komen, ga dan terug naar je regels. Je hond is dan meer gebaad bij duidelijkheid en begrijpt niet dat het soms wel, soms niet mag.
Hoe dominanter je hond, hoe belangrijker de regels zijn. Hoe onderdaniger je hond, hoe meer je de regels kunt versoepelen.
Bij een oudere hond met probleemgedrag begin je met de regels en zal je binnen twee weken een behoorlijke verandering in je hond zien. Voor de hond is het nu duidelijk waar zijn plek is. Door die duidelijkheid word je hond een stuk rustiger. Hou die duidelijkheid vast. Na een tijdje, als je denkt dat je hond eraan toe is, kan je wat versoepelen. Zie je dan het probleemgedrag terugkeren, houdt dan de regels strak. Daar voelt je hond zich duidelijk prettiger bij.
Mag een hond dan nooit op schoot?
Niet zolang de rangorde niet duidelijk is. Bij heel veel honden kan je na en tijdje de hond best eens op schoot nemen. Jij vraagt hem dan bij je en zet hem weer op de grond als je er genoeg van hebt. Jij leidt, jij beslist. De meeste honden kunnen als ze volwassen zijn prima een keer op schoot, een keer op de bank, eens voor je uit lopen zonder dat er probleemgedrag onstaat.
Sommige honden hebben echter die duidelijkheid nodig en raken in de war als ze soms privileges krijgen die ze eigenlijk niet toebehoren. Kijk daarbij goed naar je hond.