De strijd is nog onbeslist. Wie het zal halen, geen idee.
Het strijdtoneel? Een park in de buurt. Het strijdmoment? Ontiegelijk vroeg (volgens mij), schandalig laat (volgens hem). De strijd? Vreemd genoeg iets waar we het op elk ander moment van de dag gloeiend over eens zijn.
Het begint nochtans allemaal heel onschuldig. Of zo lijkt het toch. Strijder 1 (ochtendhond van formaat) biedt strijder 2 (avondmens van formaat) een tennisbal aan. Bij geen reactie gooit strijder 1 het balletje hoog in de lucht, en springt er achteraan. Een beetje verleiden is hem niet vreemd.
Maar al wat strijder 2 kan, is hem chagrijnig aanstaren. Want is het dan echt zo moeilijk om me een beetje rust te gunnen? Een beetje rust, om de watten in mijn hoofd te laten oplossen. Om olie tussen mijn roestige radertjes te krijgen. Om de zware wolken te laten vervagen.
Strijder 2 heeft een ochtendhumeur. Aanspreken is niet aan te raden, storen ten zeerste te vermijden.
Strijder 1 daarentegen, is een ochtendhond. Zo eentje die als een duveltje uit een doosje klaarwakker rechtveert bij het horen van de wekker. Die nauwelijks kan wachten tot we uit wandelen gaan. En die in tussentijd dan maar het badkamertapijtje aanvalt.
En strijder 1 wil spelen.
Ooit was er een tijd dat ik deze strijd op mijn kousenvoeten kon winnen. “Baasje heeft niets mee”, kon ik toen bijna wraakzuchtig zeggen.
Zo snel staakt strijder 1 de strijd echter niet. Meteen na het loslaten, speurt hij alle hagen af. Hagen die stuk voor stuk tennissers van al te kijklustig publiek moeten vrijwaren. Hagen die gretig elk balletje opslikken dat er abuisievelijk in terechtkomt. En hagen die maar al te graag hun balletjes prijsgeven aan mijn hond.
“Je gewrichten zijn nog niet opgewarmd”, verweer ik me.
Die warmt hij dan maar op met een verwoede jacht op stokken. Niet zomaar stokken: alleen de grootste exemplaren, met de meeste zijtakken. Hij kan ze nauwelijks opheffen. Meesleuren lukt, vanwege al die zijtakken die voor en tussen zijn poten raken, ook al niet zo goed. Hollend en struikelend, het hele pad versperrend, komt hij op me af.
Strijder 2 kan een glimlach niet langer onderdrukken. “Wat een mooie stok!’, prijs ik hem.
Een domme zet, natuurlijk. Strijder 1 interpreteert het meteen als een teken van de nakende overwinning: “Nog een klein beetje extra moeite, dan hapt ze wel toe”. Elke stok wordt aldus een 200-tal meter meegesleurd,
Een scenario wat zich de dag erna herhaalt.
Tot op een dag de eerste stok het hele rondje afgelegd heeft. En op een veldje met de ideale grootte voor spelletjes terechtgekomen is. Aan het einde van de wandeling. Wanneer bij mij de ergste watten een beetje uitgedund zijn. “Spelletje?”, vraagt hij. “Spelletje.”, antwoord ik.
De volgende dag brengt een nieuwe strijd. Maar aan het eind van de wandeling blijkt de stok er nog steeds te liggen. En weer zijn de wolken op dat punt voldoende uitgedund om me te laten overhalen.
Een paar dagen later geef ik mijn verlies ridderlijk toe. Meer nog: ik saboteer mezelf door onze stok in een boom bij het veldje te verstoppen. Zodat we elke ochtend verzekerd zijn van een spelletje. Aan het eind van onze wandeling.
Vandaag spring ik gezwinder dan ooit uit bed. Het eeuwige “ik blijf nog een paar minuutjes liggen” vervangen door een: “Joepi, straks gaan we spelen!” Ik kleed me aan, en voor ik de deur uitga, gooi ik een tas over mijn schouder. Een tas vol speeltjes.
Ze zullen pas aan het eind van de wandeling tevoorschijn komen, dat nog wel.
Maar op dat punt zal er geen spoortje meer te merken zijn van een ochtendhumeur. En ik ben de dagen nog nooit zo wakker begonnen. De strijd heb ik verloren, maar ik kan er niet rouwig om zijn.
Hoe zit dat bij jullie? Is er "strijd", of net niet?



3 doggies



