Teven worden voor het eerst loops vanaf de leeftijd van 7 tot 14 maanden. De kleine rassen zijn hierbij eerder loops dan de grote rassen. Gemiddeld wordt een teef daarna 2x per jaar loops, en dit blijft normaal geproken tot het einde van de levensduur doorgaan. Sommige teven kunnen vaker of minder vaak dan 2x per jaar loops worden, maar als dit regelmatig is, dan is dit voor deze teef normaal.
De loopsheid (periode met uitvloeiing) duurt ongeveer 3 weken, en het middelste deel daarvan is de meest vruchtbare.
Redenen om een teef te steriliseren:
De loopsheid zelf geeft ongemak door uitvloeiing, neiging tot weglopen, kans op ongewenste dekking, overlast van opdringerige reuen. De mate van ongemak door deze zaken varieert sterk per dier.
Schijdrachtigheid kan enkele weken na afloop van de loopsheid optreden. Het ontstaat door plotseling wisselende concentraties van geslachtshormonen. Klachten zijn: gezwollen melkklieren, er kan zelfs melk uitkomen, slechte eetlust, verzamelen van speelgoed, poppen e.d. die ze in de mand legt als "surrogaat-puppies".
Als behandeling moet men de dieren veel beweging en andere afleiding geven, eventueel de melkklieren koelen met kamferspiritus. Er bestaat ook een behandeling met hormonen die de klachten goed onderdrukt. Als een dier eenmaal schijnzwanger is, dan is de kans groot dat dit na elke loopsheid terugkomt. De laatste tijd is duidelijk geworden dat schijnzwangerschap het risico op melkkliertumoren op oudere leeftijd vergroot.
Niet gesteriliseerde teven hebben ten opzichte van jong gesteriliseerde teven (d.w.z. na de eerste loopsheid en niet later) een vergroot risico om op oudere leeftijd melkkliertumoren te ontwikkelen. Hoe vaker een dier loops is geweest, hoe groter de kans op deze tumoren. Als de prikpil (anti-loopsheidinjectie) wordt gegeven dan wordt dit risico nog groter. Ook het risico op baarmoederontsteking wordt groter door de prikpil. Deze vorm van ani-conceptie bij de hond raden wij daarom niet aan.
Voor alle duidelijkheid: gesteriliseerde honden kunnen op latere leeftijd nog steeds melkkliertumoren krijgen, maar als ze na de eerste loopsheid gesteriliseerd worden is het risico hierop een stuk kleiner. Mochten deze gezwellen toch ontstaan dan is het altijd het beste om deze zo snel mogelijk te laten verwijderen en te laten opsturen voor pathologisch onderzoek. Dit laatste is om te kijken of ze goedaardig of kwaadaardig zijn, wat van belang is voor de prognose en verdere behandeling.
Niet gesteriliseerde teven van middelbare leeftijd krijgen relatief vaak last van een baarmoederontsteking. Hierbij behorende klachten zijn: veel drinken en plassen, slechte eetlust, braken, vermageren, sloomheid, eventueel uitvloeiing. De behandeling bestaat uit alsnog steriliseren in combinatie met medicijnen. Verschil met jong steriliseren is dat we dan een ouder en ziek dier moeten opereren, wat een verhoogd narcose-risico betekent. Een gesteriliseerde hond kan geen baarmoederontsteking meer krijgen!
Jong steriliseren geeft een beduidend kleiner risico op suikerziekte op oudere leeftijd, want de geslachthormonen die door de eierstokken geproduceerd worden hebben een effect op de bloedsuikerspiegel.
Bij werkhonden kan het gewenst zijn om te laten steriliseren, om overlast tijdens de loopsheid of door gedragsveranderingen in de periode aansluitend aan de loopsheid (onzekerheid), te voorkomen.
De operatie is eigenlijk geen sterilisatie, maar een castratie, omdat beide eierstokken verwijderd worden. (bij een echte sterilisatie zouden alleen de eileiders afgebonden worden, maar dan blijft de hond loops worden) Het beste tijdstip voor de operatie is 2 tot 3 maanden na de eerste loopsheid. (het steriliseren voor de eerste loopsheid staat momenteel ter discussie omdat dit het risico op melkkliertumoren verder verkleint) Op dat moment zijn de baarmoeder en de eierstokken in een rustfase en minder doorbloedt. De baarmoeder zelf wordt afhankelijk van de conditie ervan wel of niet verwijderd bij de operatie. Omdat een gezonde baarmoeder vrijwel nooit problemen zal geven als de eierstokken verwijderd zijn laten wij deze ook vaak zitten. De snee bij deze ingreep zit aan de onderkant van de buik, vlak achter de navel, en is vrij klein als de ingreep zonder complicaties verloopt. Standaard geven wij voor nog 3 dagen pijnstillers mee, en op de dag van de operatie een injectie met pijnstiller en één met een antibioticum.
De meeste dieren hebben vrij weinig last van de wond en knappen daardoor snel weer op na de operatie. U moet voorkomen dat de hond veel aan de wond likt, door gebruik van een kraag of een T-shirt, omdat anders de wond geïnfecteerd raakt.
Nadelen van een sterilisatie:
Sommige honden, met name de grote rassen, zijn gevoelig voor incontinentie. Het wegvallen van de geslachthormonen na sterilisatie geeft na verloop van tijd een verminderde spierspanning op de blaashalskringspier, met incontinentie van urine tot gevolg. Dit kan soms al vrij snel na de operatie optreden, en soms pas na jaren. Deze vorm van incontinentie is met medicijnen over het algemeen goed te behandelen, maar deze behandeling is blijvend voor de rest van het leven. Gevoelige rassen voor incontinentie zijn: Boxer, Dobermann, Dwergpoedel, Bobtail, Weimaraner, Riesen Schnauzer, Rottweiler, Bouvier, en de Ierse Setter.
Sommige rassen met een zijde-achtige vacht kunnen een wat andere vachtstructuur krijgen. De vacht wordt dan wat dikker en krulliger, moeilijker te onderhouden, en ziet er minder glanzend uit. Voorbeelden van rassen waarbij dit voorkomt zijn Cocker spaniëls, Afghaanse Windhond, New Foundlanders, Ierse setters, en langharige teckels.
Honden worden na sterilisatie wat makkelijker te dik. De hoeveelheid voeding en beweging moet vaak wat aangepast worden om dit te voorkomen.