Dit kent menig puber eigenaar vast wel. Na dagen te moeten dealen met zo’n draak van een puber, die van hond naar hond naar hond gaat “oooo zo gezellig jullie óók hier! O baas ik kan écht nog niet komen” en jij daar dan maar geduldig op staat te wachten. Want ja, we begrijpen het, ik als baasje ben gewoon even moet zo leuk als die gezellige hond die net zo van rennen houd als mijn puber. Na uuuuuren (ik overdrijf) komt dan eindelijk je puber, je moet vreselijk blij zijn want ze komt, ze is braaf, boos zijn doen we niet want anders gebeurd het straks weer. Hand koekjes er in, niet meteen aan lijnen. En hoppa, weg. We beginnen opnieuw.
Afijn! Maar dan, spontaan, is er zo’n omslag. We gaan weer een nieuwe fase in. Vol verwachting en ruim in je tijd begin je weer aan een wandeling. Het losloopveld is al in zicht en de puber, anders zo’n springend monster want het wilt zó graag kijkt me hoopvol in een pracht van een ‘naast’ aan. Niks getrek, braaf net een slappe lijn. Dan kriebelt er al een sprankje trots.
We zijn er, ze mag zo los. Er word al netjes gezeten. Gekeken. Gewacht. Klik. Los. Nog meer wacht (meer trotse sparkles) en gaat braaf op commando het veld in.
En dan staat ze heerlijk te wroeten, snuffelen, sprinten. Heerlijk tafereel. Komt er een andere gezellige hond en vrees je het ergste “daar gaan we weer..”
toch proberen, mooie lange luide fluittoon. Mijn puber, draak dat ze kan zijn, onderbreekt direct haar bezigheid en sprint in één rechte lijn naar me toe en gaat in een pracht van een “zit en kijk” voor je voeten. Ondanks die hond. Ondanks die muizen.
Hoe mooi is dat toch. Het verveeld nooit. Dan zwel ik op met trots hoor.