Zit, lig, pootje, ander pootje, high five, bedel (met de pootjes omhoog), shake it (dan schud ik met m'n hand zijn pootje), zwaaien, op je zij, rol (roll-over), apport, raak (touch), kusje (likje geven), hop-hop of hoog (met pootjes omhoog ergens op), omhoog (omhoog springen), push (tegen de bal aanduwen), spring (ergens overheen springen), door (ergens doorheen of onderdoor gaan bijv. een tunnel of onder de stoel doorkruipen), spin/twist (rondjes maken naar links of rechts), come by (met de klok mee een cirkel maken om iets heen), away (tegen de klik in een cirkel maken om iets heen), blijf, wacht, in de bench/uit de bench, in de doos/uit de doos, zoek.... En vast nog wel meer dingen