Mijn speelmeneertje, in zijn contacten met andere honden ooit zo onstuimig, onbeheerst en opdringerig. Ik vond het onnadenkend, egoïstisch, geen rekening houdend met een ander. Zijn soortgenoten leken dat met me eens.
Maar opeens, zes maand geleden, toont mijn wildeman zich van een andere kant.
Het gebeurde tijdens een parkwandeling, in het gezelschap van bruine labrador Dicky en diens bazinnetje . Beide honden zorgeloos aan het rollebollen, beide mensen gezellig aan het keuvelen.
Tot plots twee grote honden vanachter een muur vandaan stappen, slechts een tiental meter van onze koplopers verwijderd. Twee grote goldens, weliswaar beste vriendjes met mijn labrador, maar allesbehalve goede vriendjes met Dicky. En deze laatste, meegesleurd in Doby’s enthousiasme, is al op een holletje onderweg. Zijn bazinnetje panikeert, en zet op haar beurt een spurtje in. Maar nog voor ze een meter af kan leggen, wordt haar Dicky al onthaald op woest geblaf en gegrom. Hij remt af, en begint vlak buiten het bereik van de wild vooruitspringende goldens (beiden gelukkig aangelijnd) te blaffen; zijn spieren gespannen, zijn gezicht onzeker, zijn haar recht. De goldeneigenaar kan zijn honden nauwelijks houden, maar de bruine labrador blijft eigenwijs staan.
En dan, nog voor Dicky’s bazinnetje hem in veiligheid kan brengen, zien we het: een bemiddelende Doby heen en weer huppelend tussen beide partijen, zijn oortjes achteruit en wat omhoog getrokken, zijn hele lijf kwispelend, speelse neusduwtjes en geruststellende knuffelknabbeltjes uitdelend. En warempel: de gemoederen bedaren.
Tot Dicky zich beweegt. De donkerste golden verstrakt meteen, zijn haar gaat recht, zijn blik focust, en blaffend gaat hij terug in de aanval. Doby schiet meteen op hem af, deelt neusduwtjes en knuffelknabbeltjes uit, haalt de hond uit zijn focus. Opnieuw en opnieuw. Tot ook de donkerste golden zich ontspant.
Gezamenlijk wandelen we naar huis, de honden probleemloos dichter bij elkaar dan ooit.
En vandaag, wederom tijdens een parkwandeling, gaat mijn wildebras nog een stap verder. Ons gezelschap twee labrador-chihuahua kruisingen (grote broer en kleine zus) en hun baasje.
De mensen babbelen, de honden spelen. Tenminste: grote broer en Doby spelen. Kleine zus niet: zij verstopt zich achter baasjes benen, springt onzeker tegen hem op, zou het liefst in zijn armen kruipen. Want kleine zus (chihuahuagrootte) is bang. Bang van die onbesuisde reus.
Diezelfde reus staakt na een tijdje het spel voor een interessant geurtje, waarop grote broer (grootte halverwege labrador en chihuahua) zich tot kleine zus wendt. Alsof ze een tegenstribbelend trekspeeltje is, grijpt hij zijn machteloze zusje in haar nekvel en sleurt haar vooruit. Nog steeds speels, maar wel ruw. Te ruw.
Misschien vindt Doby dat ook, misschien voelt hij zich buitengesloten, misschien wil hij zijn vriend terug voor zich alleen. In elk geval: hij stuift eropaf, en gooit zich naast grote broer in een speelbuiging. Die laat zich meten verleiden, en opnieuw volgt een wild achtervolgingsspelletje: Ito voorop, Doby op zijn hielen. Cirkeltje linksom, cirkeltje rechtsom, heuveltje op, heuveltje af, rakelings langs ons scherend of wat verder weg. Met één belangrijk verschil: vlak naast mijn zwarte reus holt een klein minihondje. We lachen; ik omdat het zo’n grappig zicht is, de andere baas omdat: “Ze vast blij is met haar onverwachte medestander waardoor de rollen eens omgekeerd zijn.”
Wanneer er even op adem wordt gekomen, snuffelen de honden onbekommerd rond. Alle drie.
Waarop het spel terug ingezet wordt. Op vraag van kleine zus. Met een speelbuiging naar haar grote beschermheer. En weg zijn ze weer: grote broer voorop, Doby en kleine zus erachter. Zij aan zij.
Mijn Doby, nog altijd onstuimig (zij het voorzichtiger dan voorheen), af en toe nog wel eens opdringerig. Maar met een hart van goud.
Een hart dat hem binnen de hondengemeenschap ondertussen zo geliefd gemaakt heeft dat een korte wandeling er niet meer inzit. Ik ben trots. En moe.



3 doggies





