Fokker Thijs Theunissen
Als ook Missy eindelijk heeft gezwommen, gaan we met z'n allen terug naar ons picknickplekje. De honden krijgen een paar bakken vers water en wat lekkers en moeten daarna een poos rusten. Kato en ik leggen hen allemaal aan een eigen pen, zodat we even later aan alle kanten worden omringd door hijgende en slapende honden, groot en klein.
“Hè, hè, eventjes rust, Kato,” zucht ik met een grote glimlach omdat ik zo van deze dag geniet.
Ik haal de picknickmand dichterbij en haal er twee bekers uit.
“Wat lust jij? Koffie of fris?”
“Doe maar koffie,” antwoordt Kato.
Ze komt naast me zitten en neemt haar beker aan. Stilletjes genieten we van zowel de koffie als van het uitzicht. Een strand met hier en daar wat mensen achter windschermen zonnend op handdoeken, maar vooral wandelaars met spelende, rennende en zwemmende honden en daarachter een donkergroene Noordzee met ruisende golven. Een groep grote meeuwen vliegt krijsend over ons hoofd. Eén van hen heeft iets eetbaars gevonden waar ook de anderen hun oog op hadden laten vallen maar… duidelijk te laat. We volgen de vechtende vogels tot ze achter de duinen verdwijnen.
De koffie is op: tijd voor een broodje. Ik hoop dat Kato genoegen neemt met huis-tuin en keukenbolletjes met geitenkaas en simpele worst. De entourage moet ze er maar bij denken.
Als ze haar lunch aanpakt raken onze handen elkaar, wat mij kriebels in mijn buik bezorgt. Kato zet gretig haar tanden in het brood en zegt halverwege dat het haar goed smaakt.
Kauwend en rondkijkend probeer ik onopvallend zo vaak mogelijk een glimp van haar gezicht en haar wapperende haren op te vangen. Ik vind haar een mooie vrouw. En leuk. Heel leuk zelfs. En lief ook, zeker voor dieren. Zou ze voor mij ook lief zijn als... Onopvallend slaak ik een zucht. Het is lang geleden dat ik een meisje heb gehad, dat was in de tijd dat ik nog een jonge knaap was. Toen durfde ik een meisje gewoon om verkering te vragen, maar hoe doe je dat als je een volwassen vent bent die al jaren meer met honden dan met vrouwen omgaat?! Onbewust trek ik vertwijfeld mijn gezicht in een frons en krabbel ik achter mijn oren.
“Wat is er?” vraagt Kato. “Maak je je zorgen over de honden?”
Ze zit schuin tegenover mij op haar knieën en kijkt me bezorgd aan. Ik schrik op uit mijn overpeinzingen en merk dat ik begin te blozen.
“Nee, nee, met de honden gaat alles naar wens. Ik was gewoon even diep in gedachten. Niets ernstigs,” stel ik haar gerust. “Dat niet, maar wel bloedserieus!” denk ik er stilletjes achteraan.
Ik schenk de bekers nog eens vol met koffie en vertel dat in de week die voor ons ligt de mensen die zich voor een pup hadden opgegeven komen kennis maken.
“Dat is altijd spannend, ja,” beaamt Kato. “Op zulke momenten moet je niet alleen je honden goed kennen, maar nog meer over mensenkennis beschikken, want je wilt er zeker van zijn dat je pups goed terecht komen, hè.”
“Daarom nodig ik hen ook één voor één uit, zo kan ik voor iedereen de tijd nemen. Maandag komt er een jonge vrouw, dinsdag een gezin, woensdag een man die een autosloperij heeft en donderdag een ouder echtpaar. Pas als zij geen pup naar hun zin kunnen vinden, neem ik contact op met de andere mensen op de wachtlijst.”
“Wanneer kom je de pups laten chippen?”
“Wanneer ik weet op welke naam ze moeten komen te staan.”
Kato knikt goedkeurend en veegt een wapperende lok haar uit haar gezicht. De zon prikt in haar ogen, waardoor ze weer naast me komt zitten. Na het onderwerp ‘chips voor de pups’ raakt Kato op haar praatstoel over haar dierenartspraktijk. Vol passie vertelt ze over haar belevenissen van afgelopen week. Ja, die vrouw maakt heel wat mee: interessante combinaties van dieren en hun baasjes, diagnoses van onschuldige maar ook ernstige ziekten, het verwelkomen van jonge dieren, het afscheid nemen van zieke en oude huisgenootjes en nog veel meer. Soms worden we samen stil na een verhaal, soms gieren we het uit van de lach. Na een tijdje zitten we heel dicht bij elkaar en voel ik de warmte van haar lichaam tegen mijn arm. In een moment van overmoed pak ik een hand van haar en bedank haar voor alles wat ze tot nu toe voor mijn pups heeft gedaan.
“Als ik aankomende week niet zeker ben van iemand… Ik bedoel: als ik iemand niet helemaal een pup durf toe te vertrouwen… Wil jij die persoon dan ook eens komen… besnuffelen?” vraag ik half lachend om mijn woordkeus, maar verder ernstig.
“Wat kan ik een man met puppyogen die zo’n vraag stelt nou weigeren?!” antwoordt Kato hoofdschuddend maar met een knipoog.
Even later is het met de rust gedaan, de herderfamilie wordt wakker. Peppito springt op en daagt luid blaffend een hond uit die verderop met een bal speelt die op die van hem lijkt. Lola wil naar haar kleinste pup toe en trekt bijna haar pen uit het zand. Storm ligt met zijn kop op zijn pootjes te wachten op de eerste de beste kans om er vandoor te gaan. De riemen van Penny en Nike zitten in een mum van tijd in de knoop omdat ze beginnen te stoeien en Missy trekt piepend aan haar riem omdat ze naar haar moeder wil.
“Call of duty,” zeg ik met een knik naar de honden.
We staan op, pakken de picknickmand in en laten de honden nog een poos genieten van zon, zee en strand.
Pas als er mist ontstaat, pakken we ons boeltje op en verlaten het strand. In de duinen rusten we nog even uit, waarna we moe en voldaan naar de auto sjokken. Onderweg pakt Kato de tas met hondenspullen van me over en steekt ze spontaan een arm door die van mij. Met onstuimig kloppend hart kijk ik haar, waarschijnlijk verliefder dan mijn bedoeling is, aan. Ik krijg een heel lieve stralende glimlach terug.