“Tijd voor onze wandeling.” Doby is zojuist vlak voor me komen zitten, alert rechtop, helemaal klaar voor actie. Met zijn meest hoopvolle snoetje kijkt hij recht in mijn ogen. “Tijd voor onze wandeling”, herhaalt hij woordeloos. Ik smelt. Bij mijn “Gaan we wandelen?”, schieten zijn oortjes een beetje omhoog, en kantelt zijn kopje: “Ja, ja: wandelen! Dat is wat ik bedoel.”
Vooruit dan maar. Ik trek mijn sandalen aan, en sta te twijfelen bij de kapstok. Zal ik mijn regenjas aandoen? Ach nee, het zal vast niet regenen.
We stappen de deur uit, boven onze hoofden toch meer wolken dan verwacht. Maar het blijft vast droog.
Ik besluit vandaag eens de andere kant uit te gaan. Dat heeft als nadeel dat Doobemans de helft van de wandeling aan de leiband zal moeten blijven, maar een beetje afwisseling is welkom. En Doobemans houdt ook wel van een beetje afwisseling. Het is de eerste keer dat ik hem hier mee naar toe neem, er moet heel wat rondgekeken, afgesnuffeld, en ontdekt worden.
We bewonderen een klein pony’tje (Doby: “Moet je kijken, die hebben ze ook al in verschillende formaten.”), en begroeten een stelletje kippen. Dat het zonnetje verdwenen is, valt me niet op.
Dan maken we rechtsomkeert. Plots merk ik druppels op mijn armen. Het regent. Nou ja, het valt nog mee. De herinnering aan de fikse stortbui van een uurtje eerder zet ik maar vlug uit mijn hoofd. Het zal wel meevallen. Dat doet het ook. Even.
Want dan zetten ze hierboven de sluizen open. Grote druppels, met miljarden tegelijk, storten op ons neer. En nergens is een mogelijkheid om te schuilen. Geen bomen, geen afdakjes. Mij kan het niet veel schelen, dan word ik maar nat.
Doby kan het wel wat schelen: wanhopig probeert hij zich in het hoge gras te verstoppen. En zich tegen een haag te drukken. Maar hij hangt vast aan die leiband, en die ellendige baas stapt gewoon door.
Dan maar de baas vooruit sleuren. Of dat toch proberen. Want het ellendige mens geeft geen krimp, en stapt rustig op haar normale tempo verder.
Een vrouw mét regenjas én paraplu lacht met ons. Doby probeert prompt vlak naast haar te komen, maar die ergerlijke baas werkt weeral niet mee.
Bij een huis in aanbouw joelen bouwvakkers me grinnikend toe, en bieden me aan bij hen te komen schuilen. Doby heeft er wel oren naar, en sprint er meteen naar toe. Helaas: hij hangt nog steeds aan die leiband. En die domme baas bedankt voor het aanbod, maar zegt dat ze bijna thuis is.
Bijna thuis? Doby grijpt de leiband: hij zal wel eens zorgen dat “bijna thuis” ook daadwerkelijk bijna thuis betekent! Maar weer werkt die hatelijke baas niet mee.
Dan gooit hij het maar over een andere boeg, en begint vrolijk op en neer te springen voor baasje haar voeten: “Toe, laten we rennen! We maken er een leuk spelletje van: wie het eerst thuis is!” Helaas voor hem rent baasje niet graag, en vindt ze al zijn gedoe wel grappig.
En komen we eindelijk thuis. Zodra het heerschap met alle vier zijn pootjes binnen staat, schudt hij zich hartgrondig uit. Voor één keer laat hij zich het afdrogen welgevallen.
Wanneer ik voorstel dat hij op zijn beurt het baasje afdroogt, houdt hij zich van den domme. Eens de druipende haren afgedroogd, en al mijn kleren vervangen door droge exemplaren, kan ik nog de gang dweilen.
Op het tapijt wordt het walgelijke spul gedeponeerd dat hij tijdens de wandeling naar binnen geschrokt heeft, samen met nog wat brokjes. Als toetje verobert hij 2 van mijn kousen.
Zou hier iemand een beetje wraak genomen hebben?
Wat ik me ook afvraag, is of hij voortaan de hemel zal inspecteren, vooaleer me er aan te herinneren dat het wandeltijd is…
P.S.: de kousen zijn er al terug uit, langs dezelfde weg als ze erin gegaan zijn...


3 doggies










Ik had al een route uitgestippeld dicht bij huis, vanwege het regengevaar, was ik halverwege, stond Zoë even stil, en begon het te regenen
Maarja, ik ben gewoon naar huis gerend. Dat vind ze toch geweldig. Net als Doby, wou Zoë meteen naar binnen.


