Zoeken:

Login

Je bent niet ingelogd

Naam:

Wachtwoord:

Polski Owczarek Nizinny

Niet voldoende informatie over de Polski Owczarek Nizinny

De volgende items bevatten geen informatie. Heb jij ontbrekende informatie over de Polski Owczarek Nizinny ? Dan kun je dat toevoegen

  • Rasgroep
  • Geschiedenis
  • Karakter
  • Verzorging
  • Opvoeding

Afbeeldingen

Polski Owczarek Nizinny

Je kunt een foto toevoegen

Video

Polski Owczarek Nizinny video Polski Owczarek Nizinny video Polski Owczarek Nizinny video Polski Owczarek Nizinny video Polski Owczarek Nizinny video Polski Owczarek Nizinny video

Rasgroep van de Polski Owczarek Nizinny

Geen Rasgroep gevonden voor de Polski Owczarek Nizinny gevonden.
Weet jij tot welke Rasgroep de Polski Owczarek Nizinny behoort ? Dan kun je dat toevoegen

Geschiedenis van de Polski Owczarek Nizinny

Geen informatie over de geschiedenis van de Polski Owczarek Nizinny gevonden.
Heb jij ontbrekende informatie over de geschiedenis van de Polski Owczarek Nizinny ? Dan kun je dat toevoegen

Karakter van de Polski Owczarek Nizinny

Geen informatie over het karakter van de Polski Owczarek Nizinny gevonden.
Heb jij ontbrekende informatie over het karakter van de Polski Owczarek Nizinny ? Dan kun je meehelpen om de hondenPage nog completer te maken. Je kunt deze informatie hier toevoegen

Rasstandaard van de Polski Owczarek Nizinny

OORSPRONG
Polen

GEBRUIK
Gemakkelijk in de omgang, werkt als herdershond en waakhond.
Overgeplaatst naar het leven in de stad is hij een zeer goede gezelschapshond.

INDELING
Groep I:
Herdershonden en veedrijvers
Sectie 1: Herdershond
Zonder werkproef.


ALGEMEEN VOORKOMEN
De Poolse herder van de laagvlakte is een middelgrote hond, gedrongen, sterk,
gespierd met een lange en dichte vacht.
Zijn goed verzorgde vacht geeft hem een aantrekkelijk en interessant uiterlijk

Belangrijke verhoudingen:
De schouderhoogte verhoudt zich tot de lichaamslengte als 9 : 10.
De lengte van de schedel en die van de snuit staat tot elkaar als 1 : 1; de snuit mag evenwel iets korter zijn.

GEDRAG EN KARAKTER
Levendig maar beheerst, is hij waakzaam, oplettend, intelligent, goed van begrip en begiftigd met een goed geheugen. Hij is bestand tegen ongunstige weersomstandigheden.

HOOFD
Middelmatig van grootte, in verhouding, niet te grof. Het uitstaande haar op het voorhoofd, wangen en kin doet het hoofd zwaarder lijken dan het in werkelijkheid is

SCHEDEL
Middelmatig breed, licht gewelfd. De voorhoofdgroef en achterhoofd-huidsknobbel zijn voelbaar.

Stop:
Duidelijk aangegeven

Neus:
Zo donker mogelijk met betrekking tot de kleur van de vacht, neusgaten wijd open.

Snuit:
Krachtig, stomp; de neusrug is recht.

Lippen:
Goed aangesloten, de randen dezelfde kleur als de neus.

Kaken / tanden:
Sterke kaken, sterke tanden, scharend of tang.

Ogen:
Middelgroot, ovaal, niet uitpuilend, hazelnootkleurig, met een levendige en doordringende blik.
De randen van de oogleden zijn donker.

Oren:
Hangend, tamelijk hoog aangezet, middelmatig van grootte, hartvormig, breed aan de basis; de voorste rand ligt tegen de wang; oplettende oren.

HALS
Middelmatig lang, sterk, gespierd, zonder keelhuid, eerder horizontaal gedragen.

LICHAAM
Silhouet:
Eerder rechthoekig dan vierkant.
Schoft:
Duidelijk waarneembaar.
Rug:
Vlak, sterk bespierd.
Lendenen:
Breed, stevig
Croupe:
Kort, licht aflopend.
Borst:
Diep, matig breed, de ribben voldoende gewelfd, niet vlak of rond.
Buik:
Vertoont een elegante welving naar achteren.

STAART
Bij de geboorte kort of halflang; zeer kort gecoupeerde staart.
Niet gecoupeerde staart vrij lang en overvloedig voorzien van haren. In rust hangt de staart naar beneden.
Is de hond levendig, dan wordt de staart vrolijk boven de rug gedragen, maar is nooit sterk gekruld of op de rug rustend.
Staart van gemiddelde lengte die niet is ingekort op verschillende manieren gedragen.


LEDEMATEN
Voorste ledematen: van voren en in profiel gezien vertikaal en recht. Evenwichtige stand dankzij een sterk skelet.
Schouders:
breed, matig lang, schuin, goed aangesloten, krachtig bespierd

VOETEN
Middenvoeten:
iets schuin ten opzichte van de onderarm.
Voorvoeten:
ovaal, tenen goed gesloten en licht gebogen, voetkussentjes flink hard. Nagels kort en zo donker mogelijk van kleur.

ACHTERSTE LEDEMATEN
van achteren gezien vertikaal, goed gehoekt.
Dijen:
breed, goed bespierd.
Spronggewricht:
duidelijk waarneembaar.
Achtervoeten:
compact, ovaal van vorm.

GANGWERK
Soepel en uitgrijpend. Stap of draf vlak (zonder de voeten veel op te heffen). De hond gaat vaak in telgang.

HUID
Strak aanliggend, zonder een enkele plooi.

VACHT
Heel het lichaam is bedekt met een droge dichte vacht, dik en overvloedig; de ondervacht is zacht. Zowel recht als licht golvend haar is acceptabel. De haren die van het voorhoofd naar beneden vallen bedekken de ogen op een karakteristieke manier.
De kleur:
Alle kleuren en aftekeningen zijn toegestaan.

GROOTTE
Schofthoogte:
Reuen: 45 – 50 cm.
Teven: 42 – 47 cm.

De hond moet het type van een werkhond behouden en mag daarom ook niet onder de minimummaat van de standaard komen. Hij mag niet te teer zijn of te fijn gebouwd.


FOUTEN
Alles wat afwijkt van het voorgaande moet als een fout beschouwd worden die bestraft zal worden naar mate de ernst van de afwijking.

N.B.
De reuen moeten twee testikels hebben die normaal ontwikkeld zijn en volledig in het scrotum ingedaald.


Kleine Terugblik
Veel historisch materiaal is daarom niet aanwezig, al is bij toeval wel een beschrijving bekend waarin sprake is van Nizinny's.
Merkwaardigerwijs komt de beschrijving niet uit Polen, maar uit Schotland.
In de 16e eeuw was er blijkbaar sprake van een florerende handel tussen Polen en Schotland. Bij een van deze transporten in 1514 met graan in ruil voor schapen, nam de Poolse schipper Kazimiery Grabski enkele werkhonden mee.
De Schotse handelaar vond de honden zo overtuigend werken dat hij verzocht om een toegevoegde ruil en zo werden er drie Nizinny's achtergelaten. Het verhaal wil dat deze honden bijgedragen hebben aan het tot stand komen van een ander ras: de Bearded Collie.
In de zeventiende eeuw beveelt de Poolse prinses Jablonowska het ras aan voor het werk op haar landerijen. Hierbij is voor het eerst sprake van een summiere beschrijving van het uiterlijk: een langharige, middelgrote herdershond. Een eeuw later (1779) beschrijft een bioloog, pater Christopher Kluk, hem nauwkeuriger, dat wil zeggen dat wij waarschijnlijk met een van de voorvaderen te maken hebben.
Wij hebben inmiddels een vrij goed omschreven beeld van het ras, maar moeten ons wel realiseren dat dit beeld pas is ontstaan na vele jaren van weloverwogen fokken, en vandaar onze voorzichtigheid. Wij waarderen nu in het algemeen op een andere manier, voor ons gelden andere criteria die vooral met een (naar de standaard correcte) 'huishond' te maken hebben.
De Nizinny was een minder opvallende, zij het erg actieve en attente hond waar goed mee te werken viel, en dat telde zeer. Voor Kluk was dit de reden voor zijn publicatie. In later werk van hem achtte hij ook het uiterlijk van groot belang, immers, de werkeigenschappen hoorden bij een goed omschreven type hond, die het behouden waard was.
Hij hield de hond, die hoogstwaarschijnlijk een Nizinny was, toen wel voor een soort poedel vanwege zijn wat rommelige vacht. Kluk waardeerde zijn grote intelligentie en werkdrift.



Eerste ontwikkelingen
Er is vaak gespeculeerd over de afkomst van de Nizinny. Die zou, nam men veelal aan, voeren naar de herdershond uit Tibet, van het type Tibetaanse Terriër. Hieruit is al menig ander ras ontstaan, zoals de Schapendoes of de Puli en de Catalaanse herder.
Bij de trek van de nomaden gingen ook hun honden mee en dat verklaart mogelijk deze afstamming.
Op uiterlijk werd in die tijd niet zo gekeken, de eigenschappen van de honden waren van groter belang.
De ontwikkeling van rassen stamt eerst uit de jaren rond de vorige eeuwwisseling. Toen werden er ook voor het eerst tentoonstellingen gehouden en eerst toen werd er ook meer aandacht besteed aan de samenhang tussen uiterlijk en andere (werk)eigenschappen. Gelijk hiermee was langzamerhand ook sprake van vermindering van het werk en zo ontstond de situatie dat een grotere belangstelling voor de rassen gepaard ging met een vermindering van het werk waar een ras zijn bestaan aan te danken had.

Liefhebbers gingen zich met het fokken bezighouden en in de loop der tijd ontstond de wens om de honden beter te beschrijven. De rasstandaard deed zijn intrede.
Wat later gold dit ook voor de Nizinny.
Uit deze tijd kennen we ook enkele mensen die van groot belang zijn geweest voor het ras, vrijwel steeds dames.
Om te beginnen Maria Czetwertynska-Grocholska, die samen met de dames Zoltowska aan de wieg heeft gestaan van de ontwikkeling van het ras. Zij zocht uitgebreid naar exemplaren die volgens haar de juiste kwaliteiten bezaten. Een ware speurtocht moet dat zijn geweest. In 1924 was het prinses Grocholska mogelijk honden uit te brengen op een tentoonstelling. Het ras kwam vanaf dat moment in de publiciteit. Vanaf 1930 toonde zij haar eigen gefokte honden, ze werd een ware ambassadrice. Een volgende stap in de ontwikkeling van het ras werd het tijdschrift 'Moj Pies' waar Zoltwoska haar medewerking aan verleende. Hierin kwamen de beschrijvingen voor die onmisbaar waren voor een nauwgezette beoordeling en de aanzet tot een standaard. Nog altijd was de Nizinny een rommelige hond, overwegend wit, met wat lichtbruine aftekeningen aan de oren en middelgroot. De meesten droegen bij de geboorte een korte staart. Vaak bleken keurmeesters niet erg gecharmeerd van de honden en koste het moeite om ze tot een beoordeling te bewegen. De fokarbeid van de dames leidde wel tot een wat grotere eenheid. Desondanks moesten ze constateren dat de belangstelling voor het ras bij de bevolking niet groot was. Het type werd tot dan toe voornamelijk bewaard door de boeren die de werkeigenschappen wilden behouden.


Wederopbouw
De tweede wereldoorlog heeft een desastreuze invloed gehad waarbij vrijwel al het materiaal verdween en de pioniers van weleer ondernamen geen grote activiteiten meer.
Anderen namen weliswaar hun rol over, met name mensen uit de omgeving van Bydgoszcz (Bromberg), maar men kon bijna weer opnieuw beginnen. De afdeling Bydgoszcz van de Poolse Kynologische Organisatie, opgericht in 1948, nam het initiatief om het ras weer op de kaart te krijgen. Mw. Dubrinowa speelde hierbij een belangrijke rol, want ze zocht honden op die min of meer aan haar rasbeeld voldeden, registreerde ze, en stimuleerde anderen om mee te doen. Er was sprake van een complete herstart en het is dan ook niet verwonderlijk dat er in die periode een grote verscheidenheid voorkwam. Niet in het minst door de afmetingen. Men registreerde drie slagen: groot, middel en klein.
Tot niet al te lange tijd geleden was de invloed van deze verschillen merkbaar, af en toe kon men wel erg uit de kluiten gewassen typen zien. Bij de kleinsten moet de invloed van kruisingen met andere rassen niet uitgesloten worden. Al met al blijkt hoezeer het resultaat van voor 1940 verloren is gegaan en hoe moeilijk het bleek om weer tot een zekere eenheid te komen.
Hierbij speelde geluk een grote rol. Van de uiterst zeldzaam voorkomende 'restanten' uit oude kennels kwamen de ouders voor van een hond die van onmetelijk belang is geweest voor het ras: Smok

Dabuta Hryniewicz heeft zijn ouders ergens ontdekt en hem, als eenling uit een late worp, kunnen kopen. Hij bleek een geschenk uit de hemel. Deze hond bleek over voortreffelijke eigenschappen te beschikken, zowel in uiterlijk als in innerlijk. Voor velen was dit de (werk)hond die model kon staan voor het gewenste type. Dat werd bevestigd door een beschrijving die tenslotte in een standaard uitmondde.




Erkenning
Maria Dubrinowa werkte de standaard uit die in 1963 door de FCI werd erkend met als afmeting middelgroot. In die tijd tussen haar eerste schets voor een standaard en de definitieve, was de discussie over de gewenste afmetingen en de bevordering van een grotere harmonie niet zonder compromis geëindigd. Voor velen was de tolerantie in afmetingen te groot, voor reuen negen centimeter en voor teven zes centimeter en dat bij een middelgrote hond. Andere slagen werden wel afgewezen, de grote honden (vrij gering in aantal) leken immers teveel op een Bobtail, en de kleine honden teveel op een Maltezer Leeuwtje.
De (Franse) tekst van de eerste versies van de standaard gaven aan het ras de naam 'Berger Polonois des Vallees'. Eerst in de versie van 1990 heet het 'Berger Polonois de Plaine', laagvlakte, een juiste vertaling van 'Nizinny'.
In de tweede versie van de standaard werd de erkenning van bruine neuzen bij een bruine vacht en de acceptatie van een tanggebit naast het schaargebit als een verbetering beschouwd. De laatste standaardversies laten een vermindering zien in de tolerantie van de afmetingen, en voor die uit 1990 een aantal mogelijkheden voor de staart: kort, vrij lang, gemiddelde lengte.
De Nizinny heeft, zeggen liefhebbers, twee moeders en een vader. De 'moeders' Maria Dubrinowa, als initiatiefneemster, en Danuta Hryniewicz, als dierenarts en fokster waarvan de kennelnaam z Kordegardy op de stamboom van bijna alle honden, ook in Nederland, voorkomt, en de 'vader' Lubomir Smyczinksi. Hij was beschermheer, keurmeester en publicist die tot op hoge leeftijd zijn belangstelling actief toonde, ook op Nederlandse tentoonstellingen. Het is heel bijzonder iemand als hem mee te mogen maken, want ondanks zijn forse figuur bleef hij vooral bescheiden, haast onopvallend. Dat hij zich het lot aantrok van deze 'Poolse Assepoester' is veelzeggend voor zijn waardering voor de Nizinny en zijn verbondenheid met een Pools erfgoed.


Nederland
In Nederland komt de Nizinny voor vanaf 1972 met enkele honden afkomstig uit Polen en België.
Mevrouw de Haas-Cocheret heeft met name veel gedaan aan de promotie van dit ras, en ze heeft ook meerdere nesten gefokt onder de naam 'Kerberac'. In België speelde de familie Jasica op gelijke wijze een prominente rol met hun kennel 'van het Goralenhof'.
Sedert 1978 bestaat een aparte Nederlandse rasvereniging.
Voorheen werden de belangen van het ras behartigd door de toenmalige Vereniging van Liefhebbers en Fokkers van Hongaarse Herdershonden en aanverwante rassen.
De Nizinny was vanaf de eerste inschrijving zo snel in aantal toegenomen dat een eigen vereniging voor de hand lag. De Raad van Beheer erkende de vereniging in 1980, toen nog met een bescheiden aantal leden.
Thans is de vereniging middelgroot en levendig, niet in het minst door de evenementen die jaarlijks op het programma staan.

Tekst: C.M. Beenen
Uitgave: De Hondenwereld, mei 2001

Verzorging van de Polski Owczarek Nizinny

Geen informatie over de Verzorging van de Polski Owczarek Nizinny gevonden.
Heb jij ontbrekende informatie over de Verzorging van de Polski Owczarek Nizinny ? Dan kun je dat toevoegen

Opvoeding van de Polski Owczarek Nizinny

Geen informatie over de Opvoeding van de Polski Owczarek Nizinny gevonden.
Heb jij ontbrekende informatie over de Opvoeding van de Polski Owczarek Nizinny ? Dan kun je dat toevoegen

Overige informatie over de Polski Owczarek Nizinny

Geen overige informatie over de Polski Owczarek Nizinny gevonden.
Heb jij overige informatie over de Polski Owczarek Nizinny ? Dan kun je dat toevoegen

Er zijn gebruikers gevonden van de hondenpage met een Polski Owczarek Nizinny

Kenji van Ineke
Czika van Ineke

Meer weten over de Polski Owczarek Nizinny ?

Heb je nog vragen over (fokkers van) de Polski Owczarek Nizinny? Kijk dan in het hondenforum
> Zoek je een fokker ? Kijk dan eens op de fokker pagina
> Zoek je een nestje puppy's van de Affenpinscher? Kijk dan eens op de puppy pagina